Airbnb – géén rechtsmacht ten aanzien van de belangenorganisatie

Stichting Massaschade & Consument (SMC) is een belangenorganisatie in de zin van artikel 3:305a BW. Zij procedeert tegen Airbnb Ireland UC en komt daarbij op voor een nauw omschreven groep Nederlandse consumenten. SMC onderbouwt de bevoegdheid om Airbnb voor de Nederlandse rechter te dagvaarden onder meer op grond van de alternatieve bevoegdheidsgrond uit artikel 18 Brussel I-bis. Dit artikel geeft een consument het recht een zaak aanhangig maken bij het gerecht waar hij of zij woonplaats heeft. Onder verwijzing naar het arrest van het HvJ EU inzake Schrems komt de rechtbank Den Haag tot de conclusie dat SMC als belangenorganisatie geen internationale bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 18 Brussel I-bis. SMC kan geen rechten aan artikel 18 Brussel I-bis ontlenen, omdat de consumenten zelf geen procespartij zijn, aldus de rechtbank Denk Haag.

Miskenning van de aard van een 305a-organisatie

De rechtbank Den Haag negeert wat de auteurs betreft dat belangenorganisaties in de zin van artikel 3:305a BW een andere – bij wet bepaalde – rechtspositie innemen dan een cessionaris. De nauw omschreven groep van consumenten is in beginsel in vergaande mate gebonden aan de uitkomst van de procedure en kan zich enkel bevrijden va de uitkomst door vóór de uitspraak een opt-out verklaring af te leggen. De collectieve actie heeft ook voorrang op individuele acties: die kunnen worden geschorst.

Het zou een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten goede zijn gekomen, indien de rechtbank Den Haag zou hebben geoordeeld dat SMC bij wet (artikel 3:305a BW) ook de processuele bevoegdheid van consumenten toekomt om op grond van artikel 18 Brussel I-bis een zaak aanhangig te maken bij het gerecht waar de stichting haar woonplaats heeft. Dat doet ook recht aan de feitelijke positie van de belangenorganisatie in de zin van artikel 3:305a BW. Het is bovendien voorzienbaar voor Airbnb dat de belangen van Nederlandse consumenten door een Nederlandse belangenorganisatie worden behartigd en dat zij door deze belangenorganisatie voor de Nederlandse rechter wordt gedaagd.

De auteurs bespreken vervolgens de ontwikkeling van rechtsmacht voor collectieve acties binnen het kader van Brussel I-bis en de terughoudende opstelling van de Europese wetgever. Hun geprefereerde oplossing is dat de wetgever rechtsmacht toekent aan de rechtbank van de plaats waar de belangenorganisatie haar zetel heeft, mede in het belang van de collectieve consumentenbescherming.

Contract of onrechtmatige daad?

In Wikingerhof geeft het HvJ EU enige richtsnoeren voor de grenzen tussen vorderingen gebaseerd op een overeenkomst of een onrechtmatige daad. Het HvJ EU oordeelde dat voor een contractuele vordering de uitleg van de overeenkomst noodzakelijk is om vast te stellen of de gedraging al dan niet geoorloofd is. Aan die beoordeling is de rechtbank Den Haag in deze zaak niet toegekomen, omdat SMC zich niet op een onrechtmatige daad heeft beroepen. De auteurs werpen de vraag op of voor Airbnb niet (ook) in abstracto kan worden beoordeeld of zij in strijd met artikel 7:417 lid 2 BW en aldus onrechtmatig heeft gehandeld. Daarmee komt de bepaling van de rechtsmacht ook in een ander daglicht te staan.

Mocht u naar aanleiding van de annotatie in JBPr 2023/86 vragen hebben, of mocht u de (on)mogelijkheden van consumentenvorderingen in collectief verband willen bespreken, neem dan gerust contact met ons op.

Koen Rutten & Youp Pletting