Uitstoting van een medeaandeelhouder (art. 2:336a BW)
In een uitstotingsprocedure verzoeken een of meer aandeelhouders met minstens een derde deel (33,33%) van het aandelenkapitaal de Ondernemingskamer om te bevelen dat een medeaandeelhouder zijn aandelen gedwongen overdraagt aan de verzoeker(s).
Verzoekende partijen
Uitstoting kan op grond van art. 2:336a lid 1 BW worden verzocht door een of meer aandeelhouders die alleen of gezamenlijk ten minste een derde deel van de aandelen houden. Uit lid 2 van art. 2:336a BW volgt dat de vennootschap zelf en haar dochtermaatschappijen geen verzoek tot uitstoting kunnen doen, ook niet als zij aandeelhouder in de vennootschap zijn.
Vereisten
Voor toewijzing van het verzoek tot uitstoting is vereist dat de aandeelhouder door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld (art. 2:336a lid 1 BW). De norm bestaat uit drie elementen. Die elementen zijn (i) het gedragscriterium: het dient te gaan om gedragingen van de aandeelhouder, (ii) het schadecriterium: er dient sprake te zijn van schade aan het belang van de vennootschap, en (iii) het redelijkheidscriterium: het voortduren van het aandeelhouderschap kan in redelijkheid niet worden geduld.
Bij het gedragscriterium gaat het om handelingen die de aandeelhouder heeft verricht, al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder. Ook nalaten valt binnen de reikwijdte van dit criterium. De toevoeging ‘al dan niet’ is een verruiming ten opzichte van het oude recht, op basis waarvan alleen gedragingen in hoedanigheid van aandeelhouder konden worden meegewogen. Dat had tot gevolg dat acties van de aandeelhouder als bestuurder (van de vennootschap zelf of een andere vennootschap) of in privé geen rol konden spelen bij uitstoting, zelfs niet als deze ernstige schade toebrachten aan de vennootschap. Zo kwalificeerde bijvoorbeeld het verrichten van concurrerende activiteiten als bestuurder van een andere vennootschap niet als handelen ‘in hoedanigheid van aandeelhouder’. Die beperking werd onwenselijk geacht en is daarom door de wetgever geschrapt.
Het schadecriterium brengt tot uitdrukking dat de gedragingen van de aandeelhouder het belang van de vennootschap moeten schaden of moeten hebben geschaad. Voor uitstoting is dus onvoldoende dat (alleen) de belangen van de (verzoekende) medeaandeelhouder(s) of van andere partijen zijn geschaad. Hinderlijk of zelfs onaanvaardbaar gedrag van een aandeelhouder is volgens de wetgever op zichzelf nog geen reden om hem uit te stoten.
Ten slotte wordt getoetst of het aandeelhouderschap in redelijkheid niet langer kan worden geduld. De Ondernemingskamer beoordeelt daarbij of het belang van de aandeelhouder bij behoud van zijn aandeelhouderschap opweegt tegen het belang van de vennootschap bij diens uitstoting. Alleen wanneer het belang van de vennootschap zwaarder weegt, kan uitstoting gerechtvaardigd zijn.
Uit de rechtspraak volgt dat gronden voor toewijzing van een uitstotingsverzoek kunnen zijn dat (i) een aandeelhouder zonder redelijke grond structureel tegenstemt en daarmee de besluitvorming binnen de vennootschap blokkeert, waardoor de continuïteit van de vennootschap in gevaar komt, (ii) de besluitvorming binnen de vennootschap wordt verlamd door ernstig verstoorde verhoudingen tussen aandeelhouders, waarbij niet de redelijkerwijs te verlangen inspanning wordt geleverd en onvoldoende medewerking wordt verleend om tot een voor de vennootschap noodzakelijke oplossing te komen, (iii) een ernstige impasse tussen aandeelhouders op bestuurs- en aandeelhoudersniveau bestaat en ook externe relaties bij het conflict zijn betrokken, (iv) een aandeelhouder de vennootschap beconcurreert, of (v) de voor het voortbestaan van de vennootschap noodzakelijke externe financiering alleen wordt verstrekt als het conflict tussen de aandeelhouders wordt opgelost.
Procedure na toewijzing van het verzoek
In de beschikking waarin een verzoek tot uitstoting wordt toegewezen, of in een daaropvolgende beschikking, benoemt de Ondernemingskamer meestal een of meer deskundigen die over de prijs van de aandelen een schriftelijk deskundigenbericht uitbrengen (art. 2:339 lid 1 BW). De Ondernemingskamer en de deskundige dienen bij de bepaling van de prijs rekening te houden met eventuele statutaire of contractuele afspraken tussen partijen over de vaststelling van de prijs, tenzij deze afspraken tot een kennelijk onredelijke prijs zou leiden (art. 2:340 lid 3 BW). Benoeming van een deskundige kan achterwege blijven wanneer tussen partijen overeenstemming bestaat over de waardering van de aandelen, of als de statuten of een overeenkomst een duidelijke waarderingsmaatstaf bevatten en de Ondernemingskamer aan de hand daarvan zonder meer een prijs kan vaststellen (art. 2:339 lid 3 BW). Nadat de deskundige het bericht heeft uitgebracht, stelt de Ondernemingskamer in een tweede beschikking de prijs van de aandelen vast (art. 2:340 lid 1 BW).
In deze tweede beschikking veroordeelt de Ondernemingskamer de uit te stoten aandeelhouder tot levering van de aandelen aan de verzoeker tegen betaling van de vastgestelde koopprijs. De betaling van de koopprijs moet in beginsel ‘contant’ geschieden (art. 2:340 lid 4 BW). Daarmee wordt bedoeld: onmiddellijk en in geld. De verweerder moet binnen twee weken nadat hem een afschrift van de beschikking als bedoeld in art. 2:340 lid 1 BW is betekend, zijn aandelen aan de verzoeker leveren (art. 2:341 BW). Gelijktijdig moet de verzoeker de aandelen betalen tegen de vastgestelde prijs.


